Het begon een paar dagen geleden. Een kloppende pijn in mijn mond. Ondertussen bonkt
het en als ik naar voren buig schuift het mee. Ik zie het voor me als een zakje met etter dat
op knappen staat. Tijd om te tandarts te bellen.
Een paar uur later zit ik in de wachtkamer. Afwachten welke tandarts ik krijg, want de mijne
zit vol. Regelmatig voel ik met mijn tong of het nog zeer doet en om zeker te weten welke
kies het is. Een vrolijke assistente haalt mij op. We lopen naar de behandelkamer.
Ik mag een minuutje met waterstofperoxide spoelen. Het begint te schuimen in mijn mond en
daarna flink naspoelen met water. De tandarts komt binnen. Een lange, brede man met
lachende ogen boven zijn mondkapje.
‘Hoi, ik ben Klaas’, zegt hij met een zware basstem. ‘Hallo, ik ben Rosanna’, zeg ik vanuit
mijn ligstoel. ‘Ik zal eens kijken of ik je van de pijn af kan helpen.’
‘Oke Rosanna, waar zit de pijn?’ ‘Linksonder voornamelijk, maar het straalt wel een beetje
uit naar boven.’ De tandarts en zijn assistente beginnen te lachen, want zij had rechts tegen
hem gezegd. De toon is gezet. Dit wordt een gezellige zit, ik ben niet bang voor de tandarts.
Hij pakt zijn spiegel haakje om in mijn mond te kijken. Prikt wat in mijn tandvlees en wiebelt
de kies heen en weer. ‘Ik maak voor alle zekerheid een foto, maar ik denk aan een
ontsteking onder jouw kies.’ Ik mag in een plaatje happen en ze lopen naar achteren om de
foto te maken. ‘Schiet maar,’ zegt Klaas tegen zijn assistente.
Een paar minuten later staat de foto op het scherm van de computer. Tussen de wortels van
mijn kies zie je een fikse ontsteking zitten. ‘Het beste is om de kies eruit te trekken.’
Ik ben het er mee eens, weg met die pijn verstrekker.
Ik moet verdoofd worden, maar ik ben bang voor spuiten. Ik ga niet flauwvallen, want ik lig
al, maar mijn handen beginnen te trillen en de zenuwen gieren door mijn buik. Ik sluit mijn
ogen en voel de prik verdwijnen in mijn tandvlees. Een vieze smaak verspreidt zich door
mijn mond. Aan de andere kant ook een prik, die veel venijniger is en een derde voor alle
zekerheid. De verdoving zit erin. Ik adem rustig weer uit.
Tijdens het inwerken praten we gemoedelijk over de angst voor prikjes. ‘Nu houd ik mijn
mond, zeg ik na een paar minuten, want mijn tong ligt erbij als een slappe vaatdoek. Mijn
lippen voelen aan als de snavel van Donald Duck en praten wordt lastig.’
Klaas wrikt wat in mijn mond met een soort banden wippertje. Met een tang trekt hij de kies
eruit. ‘Nog even dichtmaken, een strikje erop en het is klaar,’ zegt hij lachend.
‘Ohw, zegt Klaas, nu snap ik waarom Dina (mijn officiële tandartsassistente) zei: ‘Het is een
leuke vrouw, maar ze heeft een klein mondje.’ De afzuiger, de handen van de tandarts en
het hechtdraad is wat veel voor mijn mond. Hoezo, het is altijd lente in de ogen van de
tandartsassistente? Ze praten over de grootte van de monden van hun cliënten. Hun
werkgebied zeg maar. Ik moet vreselijk lachen. Oke, als een boerin met kiespijn, want het is
lastig giechelen terwijl er van alles in die kleine ruimte gebeurt.
Het bloedt behoorlijk, Klaas drukt een gaasje op de wond. ‘Als je veel pijn krijgt zegt hij, dan
neem je 2 paracetamols of een nurofen, desnoods combineer je ze en wil het helemaal niet

dan mag je ons altijd bellen en dan zeggen wij: Kijk het nog maar even aan.’ Ik draai lachend
met mijn ogen.
Hij poetst mijn gezicht schoon met een nat doekje en ik word rechtop gezet. Wat wiebelig sta
ik op. Ik bedank ze hartelijk voor het verwijderen van de pijn en wens ze nog een prettige
dag. Ik rij naar huis, richting de pijnstillers, die zal ik wel nodig hebben.